|
|
Bedrijfswoning en geur
Advies/Opinie,
15-01-2011
Veel veehouderijen gebruiken een voormalige (tweede) bedrijfswoning niet meer als bedrijfswoning. De voormalige veehouder of burgers wonen er vaak. Bij bedrijfsontwikkeling kan deze woning een probleem vormen omdat deze vaak (te) dicht bij de stallen staat. De vraag is wanneer de bewoners moeten worden beschermd tegen mogelijke hinder door geur. De Raad van State heeft zich hier een aantal malen over gebogen. Het wetsvoorstel om een ‘plattelandswoning’ te introduceren moet een oplossing bieden.
Bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting (voorheen milieuvergunning) moet beoordeeld worden of een woning beschermd wordt geurhinder. De eigen bedrijfswoning wordt niet beschermd. Vraag is of dit ook geldt voor de voormalige bedrijfswoning. Dit is belangrijk omdat in de meeste gevallen niet wordt voldaan aan de vereiste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. Als de woning als geurgevoelig object beschermd moet worden, dan is uitbreiding van de veehouderij niet toegestaan.
Bestemmingsplan
Een bedrijfswoning die in het bestemmingsplan ook zo wordt genoemd, krijgt geen bescherming voor geurhinder van de bijbehorende veehouderij. Ook al wonen er burgers en is het huis afgesplitst van de veehouderij.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 8 juli 2009 geoordeeld. Voor toepassing van de Wet geurhinder en veehouderij is dus niet het feitelijk gebruik bepalend, maar of het gebruik als burgerwoning op grond van het bestemmingsplan is toegestaan.
Het gebruik van een bedrijfswoning als burgerwoning is in principe niet toegestaan. Er zijn echter uitzonderingen, bijvoorbeeld als het gebruik onder het overgangsrecht valt. Een voorbeeld was onlangs aan de orde bij de Raad van State (uitspraak 15 december 2010, zaaknummer 20100373/1).
Er was een vergunning verleend voor uitbreiding van een melkveehouderij. Op korte afstand van de stallen ligt een woning die al vóór 1989 is afgesplitst van de veehouderij en in gebruik is genomen als burgerwoning. Sindsdien is het bestemmingsplan al tweemaal herzien, maar de woning heeft nog steeds de bestemming bedrijfswoning.
De gemeente had daarom de vergunning verleend. Uit de overgangsbepalingen bij het bestemmingsplan uit 1989 volgt echter dat gebruik dat op het moment van het van kracht worden van het plan bestond en afweek van de bestemming, mag worden voortgezet. Daarmee was het gebruik als burgerwoning toegestaan. De woning komt daarom bescherming toe en de aanvraag om de veehouderij uit te breiden had geweigerd moeten worden.
Rob van Woerden,
LTO Noord Advies
Bron: Nieuwe Oogst, zaterdag 15 januari 2011