|
|
Archeologie en planschade
Advies/Opinie,
02-07-2011
Vanwege een forse toename in het aantal verzoeken tot het vergoeden van planschade heeft de wetgever de mogelijkheden tot het indien van een verzoek om planschade ingeperkt.
De wetgever heeft aangegeven dat het nu gaat om een tegemoetkoming in plaats van een schadevergoeding. Planschade ontstaat bijvoorbeeld als gevolg van een planologische wijziging. Wanneer een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld waarbij ten opzichte van het oude bestemmingsplan een verslechtering is opgetreden, kan er in principe sprake zijn van planschade.
Nieuw is de relatie tussen archeologie en planschade. Naar aanleiding van het verdrag van Malta is de Monumentenwet aangepast. In nagenoeg alle nieuwe bestemmingsplannen is nu aandacht voor archeologie. Gemeenten moeten immers op grond van de Monumentenwet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening houden met eventuele archeologische waarden. Voor grondeigenaren kan dit betekenen dat hun percelen naast een agrarische bestemming nu ook een archeologische medebestemming krijgen. Dat kan tot gevolg hebben dat ze, als zij willen bouwen of diepe grondwerkzaamheden willen verrichten, ter bescherming van eventuele archeologische waarden eerst een archeologisch onderzoek moeten laten uitvoeren.
Bij het verrichten van diepe grondwerkzaamheden waarvoor een aanlegvergunning nodig is, moet de aanvrager een rapport overleggen, waarin een eventuele verstoring van de archeologische waarde is vastgelegd. Om te kunnen bouwen is meestal ook een archeologisch rapport vereist.
Het archeologisch (mede)bestemmen van agrarische percelen kan tot gevolg hebben dat de betreffende agrarische percelen minder waard zijn dan vergelijkbare percelen die geen archeologische medebestemming hebben gekregen. Een eventuele waardevermindering is dan een vorm van planschade. Het beschermen van archeologische waarden in bestemmingsplannen kan eveneens resulteren in meer verzoeken tot planschadevergoedingen.
Op dit moment zijn er nog uitspraken van rechters bekend, waarbij een verzoek om tegemoetkoming als gevolg van planschade aan de orde was. De gemeenten zijn echter wel bezorgd voor eventuele planschadeclaims. Als gemeente zou het dan ook verstandig zijn om bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet lichtvaardig grote gebieden te belasten met een archeologische medebestemming. Van belang hierbij is dat gemeenten zelf op basis van uitgevoerde onderzoeken zo nauwkeurig mogelijk gebieden met eventuele archeologische waarden aangeven. Indien de gebieden met archeologische waarden gedetailleerder worden vastgesteld, verkleint dit een eventueel planschaderisico voor de gemeenten.
Uitzonderingen
Bij het beoordelen van nieuwe bestemmingsplannen is het noodzakelijk na te gaan in hoeverre het geregeld is dat agrarische werkzaamheden uitgezonderd zijn van een archeologische onderzoeksplicht. Bij het opnemen van archeologische medebestemming is het ook van belang of de bodem als gevolg van ingrepen al te zeer verstoord is om nog te kunnen spreken van eventuele archeologische waarden.
Kortom, archeologie en bestemmingsplannen en in het vervolg hierop eventuele planschadeclaims blijven de komende jaren nog volop in belangstelling staan.
Leo van Pelt,
LTO Noord Advies
Nieuwe Oogst, zaterdag 2 juli 2011